Een jonge Zen-leerling bezocht de ene meester na de andere, om zo veel mogelijk kennis en wijsheid op te doen. Op een dag kwam hij bij alweer een andere meester, een hele wijze meester.

De leerling wou graag laten zien hoeveel hij wist van het Zenboeddhisme en van het begrip ‘leegte’ of ‘niet-zijn’.

Hij zei: “De geest, de Boeddha en alle voelende wezens, zij bestaan per slot van rekening niet. Er is geen verwezenlijking, geen waanvoorstelling, geen wijze, geen middelmatigheid. Er bestaat geen geven en er is niets om te ontvangen.”

De wijze meester rookte rustig zijn pijp en zei niets.

Opeens gaf hij de jonge leerling een harde mep met zijn bamboepijp. De jongeman schrok en werd vervolgens behoorlijk kwaad.