Verschenen in
De rotte appel
Er was eens een appelboer, die bijzonder goed was in het telen van appels. Het gaf hem elk jaar weer grote voldoening om zijn harde werk en goede zorgen weerspiegeld te zien in zijn prachtige oogst.
Op een mooie ochtend, toen de boer met zijn hond door de boomgaard wandelde, merkte hij plots iets ongewoons op. Er hing een rotte appel helemaal bovenaan in zijn beste appelboom.
“Als die rotte appel zijn ziekte verspreidt naar de rest van de appels en dan naar de rest van de boomgaard, is straks mijn hele oogst verpest. Ik moet iets doen, maar wat?”
Hij ging naar de schuur en haalde een lange stok. “Met die stok kan ik de rotte appel uit de boom slaan, en dan is het probleem opgelost”, dacht hij.
Maar hoe hij ook zijn best deed, de lange stok was net niet lang genoeg, en in zijn poging om de rotte appel uit de boom te slaan, raakte hij verschillende andere, die op de grond vielen.
“Dit werkt niet,” zei hij tegen zichzelf, “Ik moet iets beter vinden.”
Terug naar de schuur, deze keer voor een katapult. “Ik schiet de rotte appel gewoon uit de boom en dan is mijn probleem opgelost”, zei hij vastberaden.
Maar de appelboer kon niet zo goed mikken en het lukte hem maar niet om de rotte appel te raken. Bij al zijn mislukte pogingen werden wel verschillende goede appels geraakt, die op de grond vielen.
“Dit werkt niet,” zuchtte hij, “ik moet iets vinden wat niet kan mislukken.”
Terug naar de schuur, deze keer voor een ladder. “Als ik hard genoeg aan de tak schud, valt die rotte appel er wel af. Dan is het probleem voorgoed opgelost.”
Maar hoe hard hij ook schudde, de rotte appel wou maar niet loskomen. Door al dat schudden waren er wel veel goede appels naar beneden gekomen.
Omdat hij niets meer kon bedenken, gaf hij het op. Maar hij was zo geobsedeerd door die ene rotte appel bovenaan in zijn beste appelboom, dat hij dagenlang aan niets anders meer kon denken.
Ten einde raad haalde hij een kettingzaag. Als hij de rotte appel er niet uit kon slaan, katapulteren of schudden, dan moest hij de hele tak maar afzagen. Dan was hij in ieder geval zeker verlost van die rotte appel.
Toen de boer met de kettingzaag bij zijn beste appelboom aankwam, viel hem plots op dat er behalve die ene rotte geen enkele andere appel meer in de boom hing. Met al dat slaan, schieten en schudden waren al zijn goede appels op de grond gevallen, waar ze nu lagen te rotten. In zijn poging om te voorkomen dat die ene rotte appel zijn boomgaard zou besmetten, had hij niet gemerkt dat alle andere appels prachtig gerijpt waren en klaar waren om te oogsten.
(Vrij vertaald naar een verhaal van Dhamma Tāpasā)