Verschenen in
Welk zaadje geef jij water?
Op een mooie dag liep een jonge monnik langzaam achter zijn meester aan. Zijn hoofd was zwaar van gedachten, zijn hart vol vragen. Na een tijdje verbrak hij de stilte.
“Meester,” zei hij zacht, “waarom volgt het lijden mij overal? Waar ik ook ga, hoe hard ik ook probeer, pijn en zorgen laten mij nooit los.”
De oude meester bleef staan, glimlachte vredig en wees naar een aarden pot naast het pad. Daarin groeide een klein, kwetsbaar plantje.
“Zie je dit plantje, mijn kind?” vroeg hij.
“Ja, meester,” antwoordde de monnik.
“Het groeit omdat iemand het elke dag water geeft. Zonder water, zonder zorg, zou het langzaam verdorren. Vertel me eens, wie geeft jouw lijden water?”
De monnik dacht even na en zei toen:
“Euh… ik denk dat mijn eigen geest dat doet.”
De meester knikte instemmend. “Precies. Elke keer dat je vasthoudt aan het verleden, geef je het water. Elke keer dat je je zorgen maakt over de toekomst, geef je het zonlicht. En telkens wanneer je je pijn in gedachten herhaalt, geef je het aarde om dieper te wortelen. Daarom gaat het lijden overal met je mee. Het is de plant die jij zelf in leven houdt.”
Het gezicht van de jonge monnik betrok.
“Maar, meester… hoe kan ik daarmee stoppen?”
De meester legde een hand op zijn schouder en sprak met zachte stem: “Plant een ander zaadje. Geef water aan vrede, aan vriendelijkheid, aan dankbaarheid. Voed je geest met mededogen, vreugde en liefde, niet met angst. Het lijden zal vanzelf verschrompelen, want niets kan overleven zonder jouw aandacht.”
Vanaf die dag begon de monnik zijn gedachten te verzorgen. Minder water voor het lijden, meer voor vreugde. En heel langzaam begon zijn leven te veranderen.